MCN Pop Algemeen Popencyclopedie Muzikanten service
FRET magazine
print deze pagina
verstuur deze pagina
english version
Juryrapport Popscriptie Prijs 2005
25 januari 2006

Enkele maanden geleden stond er in de zaterdagbijlage van de Volkskrant een vlammend betoog van een lector aan een Nederlandse hogeschool vóór de afschaffing van het auteursrecht. Een belangrijk argument ontleende hij aan de popmuziek. Hij betoogde dat vanuit de auteursrechtenorganisaties in Europa meer dan zeventig procent van de auteursgelden rechtstreeks in de zakken vloeit van Amerikaanse multinationals. Wie zich enigszins verdiept in de vakliteratuur en in het bijzonder die over de geldstromen in de popmuziek, weet dat dit baarlijke nonsens is. Inderdaad, de grote multinationale mediabedrijven Universal, EMI, Sony BMG en Time Warner domineren ook de popmuziekmarkt. Maar EMI is Brits eigendom, Sony BMG Japans en Duits, Universal is in Franse handen. Alleen de kleinste speler op de markt, Time Warner, is Amerikaans.

Waar deze lector helemaal aan voorbijgaat, is het feit dat auteursgelden weliswaar via de muziekuitgeverijen worden getransporteerd, maar dat daarbij in multilaterale verdragen is vastgelegd dat daarvan minimaal de helft terechtkomt bij de auteurs. Met andere woorden: van zijn 70 procent belandt minimaal 35 procent uiteindelijk bij de componisten en tekstdichters. Waarmee ik maar zeggen wil, het bevorderen van de kwaliteit van onderzoek naar popmuziek en de daarmee samenhangende onderwerpen is geen overbodige luxe. Zeker niet nu argumenten uit de popmuziek steeds vaker een rol spelen in discussies met een veel verder reikend belang.

Onderzoek naar popmuziek is een jonge traditie. Dat zie je ook terug in de scripties. Mythen die ooit gecreëerd zijn door de media of spindoctors worden nog wel eens als feiten gepresenteerd. Het theoretisch kader laat soms wel eens wat te wensen over. Maar de jury van deze vierde Popscriptie Prijs constateert tot haar genoegen dat de kwaliteit duidelijk toeneemt. Er wordt duidelijk school gemaakt. Deze scriptieprijs is hierin natuurlijk slechts een bescheiden bijdrage, maar hopelijk helpt de publiciteit eromheen wel het onderzoek naar popmuziek verder op de kaart te krijgen. De jury constateert wederom tot haar genoegen dat ook vanuit het HBO-onderwijs steeds betere scripties op tafel komen. Meer gericht op de latere beroepspraktijk dan op fundamenteel onderzoek, maar vanuit deze praktische invalshoek evenzeer de moeite waard.

De jury van de Popscriptie Prijs heeft de afgelopen jaren telkens dezelfde samenstelling gehad. Helaas hebben we dit jaar afscheid moeten nemen van Stine Jansen, die er door drukke werkzaamheden niet meer bij kon zijn. Wij danken haar voor haar grote inzet en scherpzinnige bijdragen. Derhalve bestond de jury dit jaar uit:

Tom ter Bogt (bijzonder hoogleraar popmuziek Universiteit van Amsterdam)

Tom Engelshoven, (redacteur OOR, winnaar Pop Pers Prijs)

Leenke Ripmeester (wetenschappelijk medewerker Universiteit van Amsterdam)

Jan van der Plas (docent Fontys Rockacademie, redacteur OOR) (voorzitter)

De jury van de Popscriptie Prijs beoordeelt de ingezonden werkstukken op zowel wetenschappelijk gehalte als de relevantie binnen de context van de popmuziek. Daarnaast vindt de jury een goede leesbaarheid en een aantrekkelijke presentatie belangrijke pluspunten. Uit de inzendingen van dit jaar selecteerde de jury vijf scripties die op deze punten goed scoorden. Dat waren in alfabetische volgorde van de auteursnaam:

Ruben van den Berg: New war poetry, the rebirth of the political song in post 9/11 America.

Een studie naar de ontwikkeling van het protestlied in de popmuziek door de jaren heen. Een leuk en interessant onderwerp, dat de actualiteit verbindt met het verleden. Geschreven in een heldere, prettig leesbare, stijl. Laat onder meer zien hoe de linkse traditie van protestsongs in de loop der tijd is doorbroken door rechtse multimiljonair rockers. Wat we te weinig terugvonden was een kritische bespiegeling op het onderwerp. Spelen die teksten echt zon grote rol in de manier waarop het publiek naar de artiest luistert. Vormden de artiesten in kwestie op het moment van dat protestliedje nog wel het centrum van de popmuziek? Ook misten we op zn minst een opmerking over het risico bij protestliedjes dat de wederpartij ermee aan de haal gaat. (b.v. Neil Youngs Rockin In The Free World, Paul McCartneys Freedom).

Eller van Buuren: Hoe kan ik als artiest anno 2005 het internet gebruiken om mijn muziek aan de man te brengen? (HBO: Fontys Rockacademie in Tilburg, afstudeervariant Ondernemer)

Een actueel en voor de beroepspraktijk relevant onderwerp. Eller van Buuren presenteert zich als een autoriteit en maakt dat ook waar. De juridische materie is buitengewoon goed geordend en de scriptie is in een uitmuntende stijl geschreven. Grote waardering ook voor de woordenlijst, die ongetwijfeld door vele vakbroeders zal worden gekopieerd en doorgekopieerd. Strikt genomen beantwoordt Van Buuren zijn eigen vraag niet. Hij schetst het speelveld en de spelregels maar vertelt niet hoe je een doelpunt maakt. Dat moet je uiteindelijk zelf uitvinden.

Ronald Engeringh: House nation, de cluster dynamiek van de Amsterdamse en Rotterdamse dance scene als dynamo van de Nederlandse dance-industrie. (Doctoraalscriptie Sociale Geografie, specialisatie Economische Geografie aan de Universiteit van Amsterdam)

Een studie naar de ontwikkeling van de dancewereld in de twee grote steden. Is echt op onderzoek uitgegaan en dat is zeer te prijzen. De sociaal economische invalshoek zorgt bovendien voor een aantal frisse inzichten. De scriptie is prima geschreven – Ronald is zich ook nergens te buiten gegaan aan romantisering – terwijl de terugkoppeling naar de theorie ronduit geslaagd is. Daartegenover staat dat de scriptie geen centrale vraagstelling kent, maar eigenlijk drie verschillende. Daardoor komt het stuk niet homogeen over. En wie de house scene van nabij heeft gevolgd, zal er weinig nieuws in tegenkomen.

Niels van Poecke: Witte boorden en spijkerjasjes, een onderzoek naar de ontwikkeling van smaak voor Americana. (master Sociologie van Kunst en Cultuur, Erasmus Universiteit in Rotterdam).

Een leuk en origineel idee, zeker ook binnen de context van de popmuziek. Heeft er goed over nagedacht en het verhaal goed uitgewerkt. Is eveneens echt op onderzoek uitgegaan. Bovendien is op het theoretische vlak de combinatie van Bourdieu en Mannheim een interessante. Aan de andere kant kun je je afvragen of het nodig was om Kant erbij te halen. Ook is de interpretatie van de genrebenaming Americana tamelijk breed. Je kunt je afvragen of Gram Parsons, Emmylou Harris en The Jayhawks werkelijk thuishoren onder de noemer.

Eline Terpstra: Drie decennia decibellen, een onderzoek naar de Nederlandse, Belgische en Duitse festivalmarkt. (HBO Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer, Breda)

De marktgerichtheid van HBO-studenten blijkt wel uit de scriptie van Eline Terpstra. Zij verkocht haar onderzoek aan Bureau Pinkpop! Haar omvangrijk onderzoek bevat veel achtergrondinformatie, die ongetwijfeld behulpzaam zal zijn bij het opnieuw positioneren van Pinkpop.

Elines scriptie haalt veel overhoop. De kwaliteit van het bronnenmateriaal is echter niet altijd even sterk. Een wat kritischer blik was te wensen geweest. Mede daardoor is het verhaal niet vrij van foutjes. Zo kwam er ergens voorbij dat het tijdschrift OOR een prima medium zou zijn om de Duitse markt te bereiken. Dat zou OOR wel willen!

De winnaar van de Popscriptie Prijs krijgt een geldbedrag van 500 euro. De nummers twee en drie gaan niet met lege handen naar huis. Zij krijgen de nieuwste editie van OORs Popencyclopedie en een aantal bij het Nationaal Pop Instituut verschenen boeken, waaronder Van Brooklyn Naar Breukelen, over het ontstaan van de hiphopscene in Nederland.

De winnaar is:

1. Eller van Buuren: Internet voor de artiest anno 2005

2. Ronald Engeringh: House nation

3. Niels van Poecke: Witte boorden en spijkerjasjes

Jan van der Plas (voorzitter)

 
overige
Eller van Buuren wint Popscriptie Prijs 2005